Wie was Ibn Battuta?

Op de website van Ibn Battuta hoort natuurlijk een verslag over Ibn Battuta en zijn reizen. Want wie is deze held en waar is hij geweest? Waar wij tegenwoordig met Ryanair even een weekendje weggaan in Europa en daar een statusupdate op Facebook aan wijden, trok Ibn Battuta jarenlang op zijn kameel door de islamitische wereld en wijdde hier een uitvoerig verslag aan na zijn terugkeer vijfentwintig jaar later. Op deze pagina vind je van dit reisverslag een iets beknoptere versie:

De hadj

Aboe Abdallah Mohammed ibn Abdallah ibn Mohammed ibn Ibrahiem al-Lawati at-Tandji ibn Battuta, kortweg Ibn Battuta, werd in 1304 in de Marokkaanse plaats Tanger geboren in een familie van rechtsgeleerden. Over zijn jeugd is vrijwel niets bekend. Wel is bekend dat hij een studie jurisprudentie heeft gedaan.

Ibn Battuta was bij lange na niet de enige die op reis ging. In de islamitische traditie was het ook in de veertiende eeuw al gebruikelijk om een pelgrimstocht naar Mekka te ondernemen. Dit wordt de hadj genoemd. Elke moslim moet één keer in zijn leven de ka’aba in de Grote Moskee in Mekka bezoeken. Om in Mekka te komen, kun je tegenwoordig van alle moderne vervoermiddelen gebruikmaken. Hiertoe worden bij reisbureaus zelfs vliegreizen inclusief overnachtingen aangeboden. In de tijd van Ibn Battuta moest de reis echter te voet worden volbracht of op een kameel (of ander rijdier). En het was natuurlijk niet één en dezelfde kameel waarmee Ibn Battuta zich verplaatste, onderweg waren veel mogelijkheden om een nieuwe kameel te bemachtigen die er weer een poosje tegenaan kon.

Wanderlust

De primaire reden voor zijn reis naar Mekka was dus het volbrengen van de hadj. Het werd aanbevolen om tijdens de hadj zoveel mogelijk heilige plaatsen aan te doen en ook om kennis op te doen over de gewoonten van andere volken en over de (fysische) geografie en de geschiedenis van plaatsen onderweg. Een andere reden voor de doorreis na Mekka zou het zoeken van werk kunnen betreffen. In de destijds recent geïslamiseerde gebieden in Azië was een grote behoefte aan rechtsgeleerden en Ibn Battuta zou hierop af gegaan kunnen zijn. Maar het valt ook op dat hij tijdens zijn reis naar Mekka een zekere Wanderlust in zichzelf ontdekt. Hij schept er een groot genoegen in om nieuwe plaatsen te ontdekken en de gewoonten van de volkeren aldaar te observeren. Een laatste niet onbelangrijke reden voor zijn doorreis na Mekka is zijn ontmoeting met een soefi-sjeik in Alexandrië. Hier kom ik later op terug.

Het reisverslag

De reden waarom Ibn Battuta zo bekend is geworden als reiziger is zijn uiterst gedetailleerde reisverslag. Het is overigens niet zeker of hij al zijn beschreven reizen echt heeft volbracht. In zijn reisverslag beweert Ibn Battuta zelfs Peking te hebben aangedaan, maar volgens historici is het zeer onwaarschijnlijk dat hij hier daadwerkelijk is geweest. Sommige historici twijfelen zelfs of hij überhaupt wel in China is geweest. De informatie over Chinese volken en hun gewoonten zou hij via legendes hebben verkregen. Uit het feit dat Ibn Battuta zich in alle streken die hij bezocht goed heeft kunnen redden valt af te leiden dat de islamitische wereld in de veertiende eeuw een grote culturele homogeniteit kende. Hij is dus weliswaar een avontuurlijke reiziger, maar hij blijft vrijwel zijn hele reis binnen een vertrouwde cultuur. Ibn Battuta’s reisverslag is dan ook een unieke getuigenis van de culturele eenheid van de islamitische wereld. Ook is voor veel gebieden Ibn Battuta’s beschrijving de enige die er van de geschiedenis van het gebied bestaat.

De reis

In de veertiende eeuw was het nogal eens onrustig in Noord-Afrika. Er waren toentertijd diverse conflicten tussen verschillende dynastieën. Ook waren er bedoeïenen actief die reizigers overvielen. Erg veilig was het volbrengen van de hadj dus niet. Toch verliet Ibn Battuta op 14 juni 1325 zijn geboorteplaats Tanger. In zijn uppie. Hij was toen tweeëntwintig jaar oud. Vanwege de hadj die door alle moslims moest worden volbracht (mits gezond en rijk genoeg), was er in Noord-Afrika een goede infrastructuur voor reizigers. Overal waren herbergen en voor reizigers waren water, proviand, nieuwe tulbanden en kamelen goed beschikbaar.

Het reizen viel Ibn Battuta in het begin nogal eens zwaar. Vlak voordat hij Tunis naderde voelde hij zich niet helemaal kwiek: “omdat ik ziek was, had ik mezelf met mijn tulband aan het zadel vastgebonden, zodat ik niet van uitputting van mijn rijdier zou vallen”. Hij vervolgt met de woorden: “uiteindelijk kwamen we in Tunis aan. De mensen liepen uit op de sjeik Aboe Abdallah en Aboe at-Tajjib, de zoon van kadi Abdallah an-Nafzawi, te onthalen. Ze begroetten elkaar hartelijk, maar niemand groette mij, omdat ik niemand kende. Dit greep me zo aan dat ik mijn tranen niet kon bedwingen en in bitter geween uitbarstte”. Ibn Battuta reisde met een karavaan kooplieden mee langs de Middellandse Zeekust naar Alexandrië. Daar was hij te gast bij de asceet Boerhaan ad-Dien al-A’radj. Deze merkte dat Ibn Battuta van reizen hield en hij vertelde hem dat als God het toestond, hij zijn broers in Hind, Sind en China kon ontmoeten. Het was ook bij deze soefi-sjeik dat Ibn Battuta kennis maakte met de soefi-traditie, een meer mystieke, aan het boeddhisme verwante stroming in de islam. De nacht daarop had Ibn Battuta een bijzondere droom waarin hij op de vleugels van een reusachtige vogel verre reizen richting het oosten maakte. Toen hij deze droom aan de soefi-sjeik vertelde, zei deze: “Je zult de pelgrimstocht volbrengen, de profeet bezoeken […] en door Jemen, Irak, het land van de Turken en Hind trekken. In Hind zul je lange tijd verblijven en je zult er mijn broer Dilsjaad, de Hindi, ontmoeten, die je uit een benarde toestand zal bevrijden.” Ibn Battuta vertrok weer en hij reisde langs de Nijl naar het zuiden, maar er waren problemen bij de oversteek naar Saoedi-Arabië en daarom trok hij weer naar het noorden. In Damascus voegde hij zich bij een pelgrimskaravaan die naar Mekka ging. Alle overnachtingen en voorzieningen onderweg waren zeer goed geregeld. Het duurde veertig tot vijftig dagen om het pelgrimsoord Mekka te bereiken. In zijn reisverslag beschrijft Ibn Battuta de geografische ligging van Mekka, de Grote Moskee met daarin de ka’aba en enkele prominente inwoners van de stad.

Hoewel Ibn Battuta eenmaal in Mekka aangekomen (1326) de hadj had volbracht, besloot hij nog verder te reizen. Deze reislust was waarschijnlijk goeddeels voortgekomen uit zijn ontmoeting met de soefi-sjeik Boerhaan ad-Dien al-A’radj in Alexandrië. Hij reisde naar Perzië en Irak om daarna weer terug te keren naar Mekka (1327) om te mediteren. Na drie jaar bekroop hem wederom een sterke reisdrift en hij ging naar Oost-Afrika, Jemen en Oman. Na opnieuw in Mekka teruggekeerd te zijn, besloot Ibn Battuta naar Damascus te gaan. Daar verkreeg hij zijn onderwijsbevoegdheid. Ook reisde hij door Klein-Azië en het zuiden van Rusland. De verhalen die hij over die gebieden vertelt, zijn waarschijnlijk vaker berust op fantasie dan op de waarheid. Waar Ibn Battuta tot nog toe in zijn reisverslag voornamelijk kennis verschaft over de gebruiken van andere volken, de flora en fauna in de bezochte gebieden, de geschiedenis van de dynastieën, handel, klimaat en landbouw, gaat hij tijdens zijn reis naar Hind en Sind (India) over op de beschrijving van zijn eigen avonturen en zijn lot. Daarmee wordt zijn verhaal een stuk persoonlijker, maar de geografische informatie kariger.

In 1334 kwam Ibn Battuta in Delhi aan. Hij verbleef hier zeven jaar aan het hof van de sultan. Op één van zijn tochten door Hind werd hij door ongelovigen gevangen genomen. Ibn Battuta kreeg het voor elkaar om te ontsnappen, maar raakte daarna verdwaald in het land. Na zeven dagen door de onbewoonde wereld te hebben gedoold met nauwelijks iets te eten, ontmoette hij bij een waterput een andere dolende. Deze gaf hem water uit zijn kruik en kikkererwten uit zijn knapzak. Ibn Battuta schrijft hierover: ‘Toen ik hem vroeg hoe zijn naam was, zei hij: “Ik heet Vreugdevol Hart”. Daarin zag ik een goed voorteken en ik verheugde me zeer. De man zei: “In de naam van God, wilt u me niet vergezellen?” “Goed,” antwoordde ik en ik liep met hem mee. Toen ik een eindje had gelopen, voelde ik ineens mijn ledematen slap worden. Ik was niet meer in staat overeind te blijven en moest gaan zitten. “Wat is er met u?” vroeg de man. Ik zei: “Voordat ik u zag kon ik nog lopen, maar nu gaat het niet meer.” “Klim op mijn rug”. “Daar bent u te zwak voor,” zei ik. […] “U moet op mijn rug klimmen.” Ik klom op zijn rug en de man zei: “Zeg zo vaak mogelijk: ‘God is ons voldoende; een voortreffelijk zaakbezorger is Hij.’ ” Ik deed wat hij vroeg en weldra kon ik mijn ogen niet meer openhouden. Ik werd wakker doordat ik op de grond viel. Ik deed mijn ogen open, maar de man was nergens te bekennen.’ Ibn Battuta zag dat hij bij een bewoond dorp was en kreeg onderdak van het dorpshoofd. Hij herinnerde zich de woorden van de soefi-sjeik in Alexandrië: “Je zult naar Hind gaan en daar mijn broer Djilsaad ontmoeten, die je uit een benarde toestand zal bevrijden.” Toen ik deze man naar zijn naam had gevraagd, had hij gezegd: ‘Vreugdevol Hart,’ dat is ‘Djilsaad’ in het Perzisch. Nu begreep ik dat hij het was over wie de sjeik me had verteld en dat hij een heilige was. Het was me slechts vergund hem korte tijd te vergezellen.’ Daarna voegde Ibn Battuta zich weer bij zijn reisgezelschap dat hem al een hele poos kwijt was.

Hij bezocht ook de Malediven. Deze eilandengroep ten zuiden van India stond indertijd bekend als het half-legendarische vrouweneiland. Ibn Battuta had hier dan ook diverse vrouwen bij wie hij om beurten de nacht doorbracht. Hij trouwde ook met drie vrouwen en hij vond ze allemaal prettig in de omgang. Deze vrouwen gingen nooit van het eiland af, dus toen Ibn Battuta weer vertrok is hij van ze gescheiden. Hij heeft één van deze vrouwen bezwangerd en zij is bevallen van een zoon. Ibn Battuta heeft zijn zoon wel gezien, maar moest toch verder reizen en heeft vrouw en zoon achtergelaten. En nadat hij Sumatra en misschien ook China heeft bezocht, is hij huiswaarts gekeerd. In 1349 kwam hij na een reis van bijna vijfentwintig jaar weer terug in Marokko. Hij vestigde zich in Fez. Zijn reislust was echter nog niet gestild, want hij bezocht in 1352 het Iberisch schiereiland. In Granada ontmoette hij Ibn Djoezajj, die onder de indruk was van zijn reisverhalen en besloot met hem mee te reizen. In datzelfde jaar reisde Ibn Battuta naar het land der zwarten: Soedan. Na een laatste reis naar Mali vestigde hij zich uiteindelijk in 1353 in Fez. In opdracht van de sultan Aboe Inaan van Fez tekende hij zijn belevenissen tijdens zijn reis op. Zijn vriend Ibn Djoezajj heeft vanuit deze aantekeningen het uiteindelijke reisverslag geschreven.

Tot slot

Ibn Battuta himself is 64 jaar geworden. Dus eens komt de dag dat onze vereniging de leeftijd van haar held passeert. En dat is altijd een speciaal moment. Maar laten we eerst terugkijken op het feest dat ons vijftigjarig bestaan was en hopen op een avontuurlijke en reisachtige toekomst, naar het voorbeeld van onze grote held Ibn Battuta!

Door: Wietske Wilts
Bron: Ibn Battuta (2008) De reis. Gekozen, uit het Arabisch vertaald en van aantekeningen voorzien door Richard van Leeuwen. Amsterdam: Uitgeverij Bulaaq